
Niet elke poort is een inrijpoort. De meest gemaakte poort is een stuk bescheidener: een looppoort van ongeveer een meter breed die de achterom afsluit, het zijpad tussen twee huizen dichtzet of de tuin scheidt van het achterpad. Zo’n tuinpoort lijkt eenvoudig, maar er zijn een paar keuzes die bepalen of je er twintig jaar plezier van hebt.
De maat: breder dan je denkt
De klassieke fout is een poort van precies de breedte van het pad. Je moet er namelijk ook een fiets, een kruiwagen, een kliko of een zak tuinaarde doorheen. Reken op minimaal 90 centimeter vrije doorgang, en liever 100. Bij een kliko is 90 centimeter de praktische ondergrens.
Let daarbij op dat de vrije doorgang niet gelijk is aan de maat tussen de palen: het beslag, de sponning en de vleugel in geopende stand nemen ruimte in. Geef bij een offerte dus door welke vrije doorgang je wilt, niet de afstand tussen de muren.

Draairichting en de ruimte erachter
Een zijpad tussen twee huizen is vaak smal, en een poort die naar binnen draait, botst al snel tegen een fiets of een regenpijp. Kijk waar de poort in geopende stand naartoe gaat en of daar ook echt ruimte is. Naar buiten draaien op een openbaar achterpad is vaak niet toegestaan en bovendien hinderlijk voor voorbijgangers.
Loopt het pad op of af, dan ontstaat hetzelfde probleem als bij een inrijpoort: de vleugel raakt de grond of er komt een kier. Bij een looppoort is dat eenvoudiger op te lossen dan bij een grote poort, meestal door de poort iets hoger te hangen en de onderrand af te dekken.
- minimaal 90 centimeter vrije doorgang, liever 100
- hoogte afstemmen op de schutting of het hekwerk ernaast
- veerscharnier plus valgrendel: valt vanzelf dicht en op slot
- slot aan de binnenzijde of op minimaal 150 centimeter hoogte
- bij bevestiging aan een muur: let op de kwaliteit van het metselwerk
Bevestigen aan een muur
Bij een zijpad tussen twee woningen wordt de poort vaak aan het metselwerk bevestigd. Dat kan prima bij gezond metselwerk, met een voetplaat en chemische ankers. Bij oude, zachte of holle steen zetten wij liever een eigen stalen paal vlak voor de muur; constructief betrouwbaarder en van een meter afstand zie je er niets van.
Is de muur van de buren, dan heb je toestemming nodig om er iets aan te bevestigen. Ook dat is een reden om vaker voor een eigen paal te kiezen: je bent dan van niemand afhankelijk, nu niet en bij een volgende eigenaar ook niet.

Zelfsluitend maken
De meest gewaardeerde toevoeging bij een tuinpoort is een veerscharnier in combinatie met een valgrendel. De poort valt vanzelf dicht en grendelt zichzelf. Dat voorkomt de klassieke situatie waarin iemand de poort open laat staan en de hond eruit loopt.
Wil je hem ook echt op slot kunnen doen, dan komt er een cilinderslot bij dat van beide zijden met een sleutel te bedienen is, of een slot met een kruk aan de binnenzijde. Denk na over wie er een sleutel moet hebben: de tuinman, de buurvrouw die de planten water geeft, de meterstandopnemer.
Hoogte en privacy
Stem de hoogte af op wat er naast staat. Een poort van 180 centimeter naast een schutting van 180 oogt vanzelfsprekend; dezelfde poort naast een haag van 120 valt op. Wil je inkijk voorkomen, kies dan een dichte of halfdichte vulling in plaats van een hogere poort.
Bij een poort naar een openbaar achterpad speelt nog iets anders: een volledig dichte poort neemt het zicht weg, wat zowel privacy als een zekere anonimiteit geeft aan wie ervoor staat. Een halfdichte uitvoering, dicht tot anderhalve meter en daarboven open, is vaak de prettigste balans.
Klein werk, zelfde eisen
Een tuinpoort is kleiner dan een inrijpoort maar stelt dezelfde eisen aan uitvoering: gelaste hoeken, geslepen lasnaden, een deugdelijke coating en scharnieren die instelbaar zijn. Juist omdat hij dagelijks een paar keer opengaat, merk je slecht beslag hier het snelst.
Wij maken stalen tuinpoorten en looppoorten volledig op maat, desgewenst in dezelfde uitvoering als een bestaand hekwerk, en leveren en plaatsen ze in Overijssel, Gelderland en Flevoland.
De poort die je elke dag gebruikt
Een inrijpoort gaat een paar keer per dag open; een tuinpoort naar de achterom vaak vijf tot tien keer. Dat maakt de bediening belangrijker dan bij welke andere poort ook. Een kruk die lekker in de hand ligt, een grendel die met één hand werkt en een poort die niet over de tegels schraapt: dat zijn de dingen waar je dagelijks iets van merkt.
Test bij het ontwerp daarom één scenario: je komt thuis met boodschappen in beide handen en het regent. Kun je de poort dan openen, doorlopen en achter je dicht laten vallen zonder iets neer te zetten? Als dat lukt, klopt het beslag. Lukt het niet, dan is er iets aan het slot, de sluitrichting of de veer dat anders moet.
Praktisch betekent dat meestal: een valgrendel of een veer die het dichtvallen regelt, een kruk in plaats van een knop, en aan de buitenzijde een cilinder die je met één hand bedient. Bij poorten die op een openbaar achterpad uitkomen, adviseren we daarnaast een cilinder met een keurmerk — die zit er standaard op bij elke afsluitbare poort die wij maken.
