Vrijwel elk balkon loopt af. Dat is geen fout maar bewust ontwerp: zonder afschot blijft er water op je vloer staan. Voor een stalen balustrade levert dat een leuke vraag op, want een hek dat de vloer volgt loopt scheef, en een hek dat waterpas staat sluit onderaan niet aan. In dit artikel hoe wij daarmee omgaan en welke keuze wanneer de beste is.

Hoeveel afschot is normaal?
Bij een balkon of galerij wordt doorgaans gerekend met een afschot van ongeveer een tot twee procent, dus een tot twee centimeter per meter. Over een balkondiepte van anderhalve meter praat je over twee tot drie centimeter, en dat is in de lengterichting meestal niet zichtbaar.
Lastiger wordt het bij een galerij die in de lengterichting afloopt naar een afvoerpunt. Over twintig meter kan dat oplopen tot twintig centimeter of meer. Een balustrade die dat volgt, staat zichtbaar scheef ten opzichte van de gevel en de kozijnen.
En dan is er nog de categorie oude balkons die niet aflopen zoals bedoeld maar door zetting of doorbuiging een onvoorspelbaar verloop hebben. Daar meten wij het profiel punt voor punt in, want een aanname klopt daar zeker niet.
Optie een: de balustrade volgt de vloer
De onderkant van de balustrade sluit dan overal netjes aan op de vloer, en de bovenregel loopt evenwijdig mee. Het voordeel is een strakke, gelijkmatige onderaansluiting zonder kieren, en een constante hoogte over de hele lengte.
Bij een kort balkon is dit vrijwel altijd de beste keuze. Het verschil over twee of drie meter is zo klein dat niemand het ziet, en je bent verzekerd van de juiste hoogte op elk punt.
Bij een lange galerij wordt het problematisch. De bovenregel loopt dan zichtbaar niet parallel met de kozijnen en de dakrand, en dat valt precies op omdat je gebouwlijnen als referentie hebt. Op foto’s van gerenoveerde flats is dat de fout die je meteen ziet.

Optie twee: bovenregel waterpas, onderzijde opvangen
Hier houd je de bovenregel strak horizontaal en vang je het hoogteverschil onderaan op. Dat kan met een aflopende onderregel, met spijlen van verschillende lengte, of met een oplopende plint die het verschil wegwerkt.
Dit is de gebruikelijke oplossing bij lange galerijen. De bovenlijn volgt het gebouw, wat rustig oogt, en het aflopen wordt onderaan opgevangen waar het nauwelijks opvalt. Wel moet je erop letten dat de hoogte op het hoogste punt van de vloer nog steeds voldoet aan de eis.
Dat laatste is een echte valkuil. Reken de hoogte altijd vanaf het hoogste punt van de vloer binnen dat veld, niet vanaf het gemiddelde. Bij twintig centimeter verval over een galerij betekent dat een balustrade die aan het lage einde twintig centimeter hoger is dan strikt nodig.
Optie drie: getrapt per veld
Een derde manier, die je bij trappen en bij sterk hellende situaties ziet, is per veld waterpas werken maar tussen de velden een sprong maken. Elk veld is dan zelf horizontaal, en bij elke staander verspringt de bovenregel een stukje.
Dat geeft een trapsgewijs beeld dat bij een echte trap heel logisch oogt en bij een aflopende galerij juist onrustig. Wij passen het vooral toe waar de helling groot is en waar de sprong architectonisch past, bijvoorbeeld bij een hellingbaan.
Belangrijk is dan wel dat de sprong bij elke staander gelijk is. Ongelijke sprongen zien er slordig uit en verraden dat er tijdens de montage is geimproviseerd.

De onderaansluiting en het water
Wat je onderaan ook doet, water moet weg kunnen. Een balustrade die met een dichte plint tot op de vloer staat, dammt water op tegen de rand. Bij een balkon dat naar de rand afloopt, is dat precies de verkeerde plek om een dam te maken.
Wij houden daarom standaard een kier van minimaal tien tot vijftien millimeter tussen de onderregel en de vloer, of wij plaatsen de balustrade zo dat het water er onderdoor of langs kan. Bij zijmontage speelt dit niet, wat een van de redenen is dat wij die bij balkons vaak adviseren.
Let ook op de plek van de afvoer. Een voetplaat pal voor een spuwer of een afvoerputje zorgt gegarandeerd voor problemen. Dat soort details noteren wij bij het inmeten, zodat de staanderindeling erop wordt aangepast.
En binnen: vides met verspringende vloeren
Binnen speelt afschot niet, maar verspringende vloerhoogtes wel. Denk aan een vide waar de overloop een trede hoger ligt dan de gang, of aan een woning met een split-level. Daar geldt dezelfde afweging: doorlopen op één hoogte of per niveau aanpassen.
Onze voorkeur binnen is doorgaans een doorlopende bovenlijn met een sprong precies bij de hoogteverandering, en niet halverwege een veld. Dat oogt bewust in plaats van toevallig. De hoogte wordt daarbij per niveau apart gecontroleerd.
Bij een aansluiting op een trapleuning is het advies: laat de balustrade en de leuning elkaar op één punt raken en zorg dat de overgang bewust is vormgegeven. Een leuning die net naast de balustrade eindigt, oogt onaf en is bovendien onhandig om vast te houden.
Lees ook:
Tot slot
Op een aflopende vloer moet je kiezen: de vloer volgen of de bouwlijn volgen. Bij korte balkons volg je de vloer, bij lange galerijen houd je de bovenregel waterpas, en altijd reken je de hoogte vanaf het hoogste punt. Laat water onderaan weg kunnen en houd rekening met de plek van de afvoer. Wij nemen dat bij het inmeten standaard mee.

